De ontmoeting met alledaagse ramen en hun interieurs markeerde Laurent Dumortier eerste stap in/naar het tekenen. Nachtelijke wandelingen door Namen, Luik en Brussel leidden de kunstenaar ertoe anders te kijken, en deze ramen te beschouwen als levende schilderijen. Zijn blik wordt aangetrokken door schaduwen en licht, aanwezigheid en afwezigheid, geluiden, kleuren, objecten en lichamen.
Deze elementen, vastgelegd via observatie, schetsen of notities, worden sporen van het « het is geweest », gezien vanuit het unieke perspectief van de voormalige « voyeur » die hij was. Voorbij het zichtbare reflecteer hij over/op levensomstandigheden, familiale herinneringen, geweld en de esthetische ruimte van het huis.
Het « zichtbare » wordt’s nachts in vraag gesteld – zoals Michaël Foessel opmerkt: « Tijdens de nacht moet de blik het onvoorspelbare omarmen » – en zijn tekenpraktijk ontvouwt zich in een spanning tussen op herinneringen gebaseerde sporen van de werkelijkheid en nieuwe plastische realiteiten die ontstaan op het houtskool oppervlak.
Waarom deze titel?
“Alles dooft. De horizon wijkt.” is een versregel uit Gedicht XXXIII uit Victor Hugo’s Toute la Lyre (1888-1893). Het inspireerde Dumortier omdat het de effecten van de nacht op het dagelijks leven onderzoekt. De nacht onthult andere dingen, verandert de functie van objecten, transformeert of vervormt, verbergt of onthult, verstoort het zicht en brengt mysterie in de realiteit.
Planten: natuur en dramaturgie
Tussen 2024 en 2026 observeerde hij interieurs waarin planten – echt of artificieel, levend of dood – verborgen waren in wat ik Our Fake and Small Jungles noemt. Hij werd aangetrokken door hun exotisme en door het verlangen om vegetatie naar binnen te halen: een simulacrum van een innerlijke Eden.
Voor deze tentoonstelling in Michèle Schoonjans Gallery wilde Dumortier opnieuw aansluiten vinden bij zijn achtergrond als horticulturist en landschapsarchitect. Bladeren – vlezig, glanzend, groot of stekelig – worden personages die een private dramaturgie creëren, soms vrij, soms mimetisch, geïnspireerd door vormen en kleuren die door de ramen worden opgevangen.
Twee atmosferische niveaus
De tentoonstelling ontvouwt zich over twee niveaus, elk met een eigen licht en sfeer: op het gelijkvloers een intiem licht, warm en omhullend, waarin kleuren vibreren binnen de interieurruimte; op de eerste verdieping een meer afstandelijk licht, koeler en contemplatiever, dat vormen toelaat om in afzondering en mysterie te verschijnen.
Planten belichamen zowel fragiliteit als vitaliteit: skeletachtige stengels en bruine of gele bladeren gaan in dialoog met nieuwe scheuten en symboliseren hoop en de vruchtbaarheid van de innerlijke tuin.
Standbeelden en aanwezigheid
Referenties naar het oude Griekenland verschijnen via standbeelden, objecten uit het verleden of geheime verzamelingen. Bevroren tussen strijd en liefdesgedrag, weerspiegelen ze een mogelijk alledaags leven. Sommige planten worden zelf standbeelden, gepersonifieerd en poëtisch.
Het contrast tussen wit marmer en de duisternis van de nacht creëert een dialoog van tegenstellingen. Het lichaam wordt materie: steen in gesprek met het veegetale, niet als vlees, maar als aanwezigheid.
Schaduw als verlengstuk van de ziel
Volgens Victor I. Stoichita is de schaduw de dubbelganger en markeert het de oorsprong van het tekenen, zoals in de mythe van Butades. In Dumortier werk getuigen schaduwen van een aanwezigheid die hem ontsnapt – een « derde ik weet niet wat » dat de richting van het licht aangeeft en de esthetiek van het beeld vormt, zoals in de fotografie van Vivian Maier of de cinema van Hitchcock.
De schaduw verlengt de ziel, transformeert, verwart en onthult nieuwe werkelijkheden, en gidst de toeschouwer door de geconstrueerde ruimte.