Over
Dmitri Sjostakovitsj en Sergej Prokofjev moesten voortdurend laveren tussen de strikte regels van het Sovjetregime en hun eigen artistieke integriteit. Allebei zochten ze een delicaat evenwicht tussen politieke plicht en creatieve expressie, met een diep persoonlijke muziektaal als resultaat.
Donker, broeierig en pijnlijk persoonlijk
In zijn Eerste vioolconcert is Sjostakovitsj’ innerlijke strijd onder de repressie van het Sovjetregime als een kloppende wond voelbaar. Hij schreef het werk tussen 1947 en 1948, maar hield het achter - goed beseffend dat het niet in de smaak zou vallen bij de conservatieve Sovjetautoriteiten. Pas in 1955, twee jaar na de dood van Stalin, kon het veilig in première gaan. Met een beklemmende nocturne, een wanhopig virtuoze cadens en een vurige finale is het een vette kluif voor orkest en solist. Die rol neemt topvioliste Alena Baeva op zich, dankzij haar krachtige klank en donkere tonaliteit een perfecte match met dit werk.
Even tragisch, grimmig en sober, met dezelfde zware schaduw van het regime, is de Zesde symfonie van Prokofjev. De première in 1947 werd goed onthaald, maar een maand later sloeg het politieke klimaat om. Prokofjev werd bestempeld als een ‘decadente formalist’ en herstelde nooit volledig van die aanval. Onder druk om het tragische karakter van zijn werk toe te lichten gaf hij een cryptische verwijzing naar de Grote Vaderlandse Oorlog: “Nu verheugen wij ons over onze grote overwinning, maar ieder van ons draagt wonden die niet kunnen genezen… De een heeft dierbaren verloren, de ander verloor zijn gezondheid. Dat mogen we niet vergeten.”
Flagey, Brussels Philharmonic